Tekst: Robert den Hertog
Het vergroten van toegevoegde waarde wordt steeds relevanter; niet alleen binnen de zuivel, maar binnen hele de voedselketen. Het inkomen van de primaire producent staat onder grote druk en wordt sterk beïnvloed door onder meer Europese maatregelen en Nederlandse wetgeving. De recente boerenprotesten zijn daarvan een uiting.
Daarmee is de vraag van belang hoe de waarde van zuivelproducten wordt bepaald. Uitgangspunt voor onze analyse is dat bij een goede verwaarding (lees: hoge opbrengstprijs) van het Nederlandse zuivelproduct de melkveehouder een hogere prijs ontvangt, wat weer de kwaliteit van de producten ten goede komt.
Competitieve melkprijzen
Nederlandse kaasproducenten, zoals Bel Leerdammer, Cono Kaasmakers, Royal FrieslandCampina, Rouveen Kaasspecialiteiten, De Graafstroom, Royal A-ware, en melkpoederproducent Vreugdenhil Dairy Foods betalen allemaal een zeer competitieve melkprijs vergeleken met de Europese melkprijzen. Tegelijkertijd behalen de meeste Nederlandse bedrijven een gezonde marge, gemiddeld zo tussen de 2 en 4 procent (gebaseerd op winst voor aftrek van rente en belastingen). Bedrijven die geen competitieve melkprijs kunnen uitbetalen verliezen leden en uiteindelijk hun bestaansrecht.
Een belangrijke graadmeter voor de waardering van een zuivelonderneming is de mate waarin bedrijven hun winst jaarlijks benutten voor de opbouw van vermogen én tegelijkertijd een concurrerende melkprijs kunnen uitkeren. Bedrijven met én een hoge melkprijs én een hoge marge hebben over het algemeen het meeste toekomstperspectief.
Coöperaties
Een belangrijk verschil tussen de bedrijven zit ‘m in het feit dat de aandeelhouders in veel gevallen de leveranciers/melkveehouders zelf zijn, de coöperatie. Coöperatieve ondernemingen hebben geen winstoogmerk. Zij kunnen daardoor het resultaat zoveel mogelijk drukken om een goede maandelijkse melkprijs uit te betalen. De leden besluiten hoeveel er gereserveerd wordt voor toekomstige investeringen en hoe groot buffers zijn.
Omdat er in Nederland coöperatieve en niet-coöperatieve zuivelondernemingen bestaan, levert een benchmark van de melkprijs en de marge van alle Nederlandse ondernemingen geen ‘schone’ analyse op van welke producenten het meeste waarde toevoegen.
Om een zuivere vergelijking te kunnen maken harmoniseren we de melkprijs tussen alle bedrijven. Dit doen we met het door Annual Insight gecreëerde melkprijscorrectiesysteem. Het uitgangspunt is: elk bedrijf betaalt boeren dezelfde melkprijs. Hierdoor worden bijvoorbeeld verhogingen van coöperatieve ondernemingen in de melkprijs gecorrigeerd.
We maken een vergelijk tussen een bedrijf met focus op bulkproducten (bedrijf A) en een bedrijf dat zich richt op toegevoegde waarde producten (bedrijf B). Het verschil in toegevoegde waarde is terug te zien in opbrengst per liter (hoe hoger, hoe meer toegevoegde waarde), wat ook gerelateerd is aan de brutomarge, die vaak de toegevoegde waarde genoemd.
Rekenvoorbeeld
In het rekenvoorbeeld laten de financiële cijfers in eerste instantie weinig verschil zien: Bedrijf A betaalt een lagere melkprijs, € 4 per 100 liter lager. Ondanks dat de opbrengst per 100 liter € 10 lager is, gerelateerd aan het type product, kan het dit compenseren met lagere operationele en personeelskosten. De winst per 100 liter melk ligt hierdoor uiteindelijk op hetzelfde niveau als bedrijf B (€ 2). Dit bedrijf heeft een € 10 per 100 liter hogere omzet, maar betaalt meer aan boeren en aan de operatie om de hogere toegevoegde waarde producten te ondersteunen.
Trekken we echter melkprijzen gelijk, dan zien we verschillen ontstaan, in het voordeel van de toegevoegde waarde producten. Beide partijen betalen in geharmoniseerde situatie een melkprijs van € 33. Terwijl opbrengsten en kosten per 100 liter melk gelijk blijven, volgt uit een lagere uitbetaling aan leveranciers dat de winstmarge met hetzelfde bedrag stijgt. Dit betekent een verhoging van 200 procent van de winst per 100 liter melk, van € 2 naar € 6 voor bedrijf B.


