Melkrijders trotseren barre omstandigheden en politieke onzekerheid

16 april 2026 Johan Oltvoort Nederlands Zuivelmuseum
Melktransport innoveert net zo hard als de zuivelsector zelf. Maar er zijn zorgen, zegt Sjaak van Doorn, eigenaar van Van Doorn Agri in Soest. "Krimp van de melkveehouderij raakt ook ons."

De florerende zuivelindustrie in de lage landen heeft veel te danken aan de mannen en (enkele) vrouwen die de rauwe melk ophalen bij veehouderijen. Ze doen dat tegenwoordig veelal met enorme (melk)tankwagens, RMO’s genoemd. De afkorting staat voor Rijdende Melk Ontvangst.
In driekwart eeuw is het melktransport compleet op de schop gegaan. Zeventigplussers die op het platteland opgroeiden, zullen zich herinneren hoe je tot ver in de jaren vijftig platte wagens met melkbussen kon tegenkomen, voortgetrokken door een paard. De melkrijder (of melkvaarder in sommige regio’s) die de bussen vervoerde, moest voldoende spierkracht hebben om vijftig of meer melkbussen te laden. Een grote ijzeren melkbus woog zo’n dertien kilo. Gevuld metveertig kilo melk was het de kunst 53 kilo op de wagen te zetten, en dat dan minstens 50 keer per rit. Zo bracht men dan, hobbelend over vaak onverharde en matig onderhouden wegen, per rit zo’n 2000 kilo melk naar de fabriek.